eeeeee


Chris Noorlander.


Dé Leder.......
Afgelopen zomer. Wanneer mijn auto de parkeerplaats van het eigenlijk helemaal niet mooie water op komt rijden -samen met de vriendin- begint het toch weer te kriebelen. De afgelopen weken heb ik wat paniekerig rondgezworven, niet wetende waar ik wilde gaan vissen. Toen kwam het besluit terug te keren naar dit water, met de bedoeling weer achter "De Leder" aan te gaan, net als twee jaar geleden. Een "Lederloze" periode. Een zakje "oily-crab" boilies in de ene hand, en in de andere mijn vriendin. Opgetogen en opgelucht snuif ik oude luchten op, welke me terugbrengen naar de onvergetelijke nachten -twee jaar geleden- met Martijn. Martijn op de ene punt, ik op de andere. Onze praatplek is zo'n beetje in het midden van de slaapplaatsen. In het donker word een vierkante, kale blubberbak best mooi eigenlijk. Net zoals dat bij ieder water het geval is. De koffie laat zich goed smaken, en in de loop van de nacht beginnen we stilaan te merken dat ons voerwerk de afgelopen weken enigszins heeft aangeslagen. We vangen een serie kleine schichtige schubkarpers -bijna tegen het type "boerenkarper" aan. We spotten over De Leder. Martijn gaat m vangen vannacht, ik ben alleen mee voor de foto's. En andersom. Het karperbestand in het water is op zijn minst eigenaardig te noemen. Pakweg tweehonderd kleine schubkarpers tot een pond of twaalf, en twee grote vissen; De Leder, en een aparte spiegelkarper. Daar moeten we het mee doen. Afgelopen zomer. De weg naar de voerstekken mag "hooierig" genoemd worden. Die kan meteen toegevoegd worden aan de Dikke Vandale. Het hoge gras is juist gemaaid. Het kriebelt anno een week later nog steeds. Monique hoopt dat we snel op het grindpad terecht komen. Er worden twee voerstekken opgezet, één op het hoekje waar de Leder vaak is gevangen, en een andere op de plek waar ik twee jaar geleden de meeste karpers heb gevangen. De weg vervolgd zich via een lang pad langs het water. Enkele van die kamikazeschubs schieten uit de kant, waar amper dertig centimeter water staat. Ik krijg er steeds meer zin in. De te bevissen stekken zijn klein. Twee harde plekken van krap vijf bij vijf meter, klem tegen de kant op. De rest van het water is papperig. Toch gaat er behoorlijk wat voer op die krappe plekken. Een groot deel word weggevreten door de kleine schubs en witvis. Dat kan hard gaan met zo'n clubje op de stek.


“Die andere van het tweetal, twee jaar geleden. Indertijd nog met een zelfgemaakte boilie“

Twee jaar terug. Martijn en ik zijn inmiddels zes nachten en een halve container kleine schubjes en witvis verder. We beginnen er steeds meer plezier in te krijgen. Dit is één van de weinige wateren waar je amper selectief kan vissen. Je door de groepen schubs heen vangen, tot één van de twee groten. Helemaal geen slechte tijdsbesteding overigens, de schubs vechten werkelijk als een kanon. Ergens in de late nacht krijg ik na drie schubkarpers een run, en bijna meteen bij het aanslaan en de eerste spurt merk ik dat er iets compleet anders aan de lijn hangt. Het snel heen en weer schietende, venijnige vechten mis ik. In plaats daarvan het wat loggere sleurwerk van een grotere karper. Wanneer de vis voor de eerste keer voor de kant komt, zie ik de kale flank van een spiegelkarper. De Leder? Het lijkt erop…Het schepnet gaat onder de vis, en door de vele achtponders van de afgelopen weken kan ik beslist geen inschatting maken van het gewicht welke ik de mat op sleur. Tijdens het uitpakken van de buit zie ik een hogere kale flank. De Leder! Ik spurt in ijltempo naar Martijn, ietsjes verderop, maak (schreeuw) hem wakker en roep hem dat ik HAAR heb. Opgetogen buigen we ons over het schepnet. De rest van de karper word samen uit het net gehaald, en tijdens het uitpakken komen we er achter dat deze vis niet de Leder is. Het moet dan dus de andere van het tweetal zijn. Martijn begint te lachen. Ik begin langzaam mee te lachen. Iets te snel conclusies getrokken. Wél een mooie karper. Eéntje die ik ook graag wilde hebben. Dé Leder moet nog even op zich laten wachten.
Tegen het eind van het najaar twee jaar geleden liepen de vangsten flink terug. In een koude, donkere en natte avond was ik de boot in gestapt, om zo'n beetje overal te prikken. De vermeende harde plaat die volgens een insider midden op de grote kom zou moeten liggen, lag er niet. Overal blubber. Het is een uitgegraven veenwater. Een complex bestaande uit tientallen sloten, kommetjes en aftakkingen. Ook met de thermometer -wandelend langs het hele watercomplex- kom ik geen klap verder. De kom in de luwte, bij de huizen is geen steek warmer. Waar hangen ze in godsnaam uit? Ik kan me twee vangsten van kleine schubkarpers herinneren, zeer vroeg in het voorjaar. Ze stonken naar de bagger. Hoogstwaarschijnlijk helemaal ingegraven geweest gedurende de winter. De winter van 2002 zat er aan te komen, en ik eindigde met vraagtekens in een rubberboot. Martijn had helaas al afgehaakt.

Afgelopen zomer. Na twee jaar de eerste sessie op het water. Heerlijk. Een zomeravondje oude herinneringen ophalen. Het water springt er niet uit qua uiterlijk, maar ik vermaak me opperbest. Op beide voerstekjes gaat een single oily-crab boilie. Toploodjes eraan. Niets bijvoeren. Na een kwartiertje mag ik het eerste verwilderde schubkarpertje verwelkomen. Een heerlijk gevoel. De verwilderde schubkarpers hier zijn dan geen grote leders, maar nergens heb ik zulke fraaie drils meegemaakt van dit slag karpers als hier. Schichtig en wild laten ze je alle hoeken van je eigen kant zien. Niet zelden springen ze tijdens de dril uit het water. Wanneer je denkt het net eronder te hebben, is de karper in een fractie alweer drie meter naar links of naar rechts gezwommen. Kamikazeschubs, van het ergste soort. Die avond vang ik twee van die schubs, en verspeel ik er één. De hengel waarmee ik de laatste had gevangen word gebruikt om het harde plaatje even verderop exact te lokaliseren. Ik maak alvast plannen voor het komende weekend. Een nachtje en een dag. Dat is de bedoeling. De rechterhengel gaat nog één keer richting het voerstekje. Nog steeds niets bijvoeren.


“Dé Leder! Zonder enige twijfel!“

De laatste aanbeet die avond. De peilhengel gooi ik op de grond. Tegen de overkant op, links van het voerstekje, zie ik een boeggolf langs de kant vertrekken. De hengel word uit de steun gegraaid, en een niet vechtende zandzak word mijn kant op getrokken. Geen idee wat dit moet zijn. Eerst vermoed ik een klein schubje met een plak planten erbij. Veel tijd om hierover na te denken krijg ik niet. Na slechts een halve minuut binnendraaien plopt een grote ronde kogel bij mij voor de kant omhoog. Dé Leder! Zonder enige twijfel! Ze probeert het nog even door zich recht te zetten, en naar links te zwemmen. Het ondiepe water hier voor de kant speelt haar echter parten. Dé Leder word wederom op haar zij gelegd, en ik kan het landingsnet eronder schuiven. Eindelijk! Zo snel…Twee jaar geleden heb ik vele sessies gemaakt voor deze vis. Toen is het niet gelukt. Nu heb ik haar, binnen twee en een half uur vissen, en een kleine minuut drillen. Gaat helemaal nergens meer over. Mijn lichaam tintelt, een glimlach kan ik onmogelijk onderdrukken, wanneer ik het zware schepnet de mat op hijs. Daar ligt ze, kerngezond en zo bol als een skippybal. Dé Leder gaat heel even in de zak. Frank kan niet komen. Te veel gedronken. Martijn kan niet komen. Zit te ver weg. Maar de foto's wilde ie natuurlijk wél zien! Mijn vriendin word uit haar bed gebeld. Dat word ruzie. Na wat aandringen beloofd ze dat ze de rit van twintig minuten gaat maken voor wat mooie plaatjes. Wanneer ik de koplampen van haar auto op de parkeerplaats zie, loop ik haar alvast tegemoet. Na de foto's gaat Dé Leder terug het modderwater in. Bedankt! Twee jaar terug. In een deftige woonwijk met veel te grote huizen, en veel te dure auto's staan twee gare schoenendozen op wielen geparkeerd. Twee slonzige mannetjes ernaast. Martijn en ik. We praten over karpers. Oude gare zooi word uit de auto gehaald. Buurtbewoners begrijpen er duidelijk weinig van. De woonwijk is het dichtst gelegen bij het water. Bovendien staan de schoenendozen hier veiliger dan op de parkeerplaats aan de andere kant van het water. Met twee wandelwagentjes vol groene zooi lopen we door de sjieke buurt. Hondenuitlaters kijken ons vreemd aan. Wij praten gewoon over karpers. Bij het verlaten van de woonwijk en haar burgerlijke burgers komt het water in zicht. Gehuld in dauw. Twee karperharten gaan sneller kloppen. Vannacht gaat één van ons haar vangen.
Chris Noorlander.